3.4 Gedwongen openbare veiling

3.4.1 Eenvoudige executieveiling

3.4.1.1 Algemeen

Een schuld kan gezekerd worden door een recht van hypotheek. De schuldenaar is dan hypotheekgever, behalve in geval van derdenhypotheek (zie daarover onderdeel 3.4.2.4). De schuldeiser wordt aangemerkt als hypotheeknemer (ook wel hypotheekhouder genoemd).

Indien de schuldenaar/hypotheekgever vervolgens niet aan zijn verplichtingen voldoet heeft de schuldeiser/hypotheeknemer (dit zal meestal een bank zijn) het recht om zonder rechterlijke tussenkomst en zonder dat daarvoor een executoriale titel nodig is het aan het hypotheekrecht onderworpen registergoed (de woning/bedrijfsruimte/het appartementsrecht) in het openbaar te verkopen: het recht van parate executie (art. 3:268). In eenvoudige bewoordingen: de bank (hierna ook te noemen: de executant) heeft het recht om de woning bij opbod en afslag te verkopen. Deze vorm van openbare verkoop dient ingevolge de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen altijd plaats te vinden ten overstaan van een notaris en via de in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voorgeschreven formaliteiten (art. 3:268 lid 4). Voor de hypotheekveiling worden grotendeels de voorschriften van executoriale verkoop van onroerende zaken door de beslaglegger van toepassing verklaard (art. 546 Rv).

In dit hoofdstuk wordt een eenvoudige veiling besproken. De hypotheeknemer geeft opdracht tot openbare verkoop. Van andere hypotheeknemers en beslagleggers is geen sprake.

3.4.1.2 Opmerkingen vooraf

Bij de bespreking van de voorschriften in het Burgerlijk Wetboek en Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is het van belang het volgende voor ogen te houden. Bij de invoering van het Burgerlijk Wetboek in 1992 heeft de wetgever er bewust voor gekozen de hypotheeknemer en de notaris de nodige vrijheid te geven bij het vaststellen van de (inhoud van de) veilingvoorwaarden.

Om toegang te krijgen tot deze pagina, moet u een abonnement nemen.