3.1 Hypotheek (met en zonder geldlening)


In dit onderdeel wordt de gehele procedure van de vestiging van een hypotheekrecht beschreven. Daarbij wordt uitgegaan van de vestiging van een losse hypotheek, dus een (nieuwe) eerste hypotheek of een tweede of volgende hypotheek en niet een hypotheek in combinatie met bijvoorbeeld een levering (zie daarvoor onderdeel 2.3).

3.1.1 Inleiding

De wettelijke regeling van het recht van hypotheek staat in de art. 3:260 tot en met 275 van afdeling 4 van titel 9 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Daarnaast zijn enkele algemene bepalingen van de eerste afdeling van die titel van toepassing: de art. 3:227 tot en met 335. Deze bepalingen gelden ook voor het recht van pand. In dit hoofdstuk komt voornamelijk het hypotheekrecht aan bod. Het pandrecht wordt slechts behandeld voor zover dit raakvlakken heeft met het recht van hypotheek.

Het recht van hypotheek is een beperkt recht (art. 3:81). Dit houdt in, dat het een recht is dat is afgeleid van een meer omvattend recht (‘moederrecht’). Het recht van hypotheek is in de bewoordingen van art. 3:227 een beperkt recht, strekkende om op de daaraan onderworpen goederen een vordering tot voldoening van een geldsom bij voorrang boven andere schuldeisers te verhalen. Het wordt daarom ook een zekerheidsrecht genoemd.

Het recht van hypotheek is ook een afhankelijk recht (art. 3:7 jo. 82), wat wil zeggen dat het een recht is dat zodanig aan een ander recht verbonden is, dat het niet zonder dat andere recht kan bestaan en dat het het recht volgt waaraan het verbonden is.
Om toegang te krijgen tot deze pagina, moet u een abonnement nemen.