8.3 Huur van bedrijfsruimte

8.3.1 Inleiding: twee categorieën bedrijfsruimte

Elke gebouwde onroerende zaak of gedeelte daarvan die niet als woonruimte in de zin van art. 7:233 wordt aangemerkt, wordt aangeduid als bedrijfsruimte.

Naast de algemene regels van art. 7:201 e.v. – voor zover hiervan niet afgeweken – zijn de bijzondere regels uit art. 7:230a en de art. 7:290-310 van toepassing op huur en verhuur van bedrijfsruimte.

De huur van bedrijfsruimte valt, afhankelijk van de contractuele bestemming, hetzij onder art. 7:230a hetzij onder de art. 7:290-310 (zie ook art. 1.1 van de ROZ-bedrijfsruimte contracten).

In de praktijk wordt gesproken van 230a-bedrijfsruimte of overige bedrijfsruimte en 290-bedrijfsruimte of middenstandsbedrijfsruimte. Hierna wordt gesproken van 230a-bedrijfsruimte en 290-bedrijfsruimte.

Een bedrijfsruimte is een 230a-bedrijfsruimte indien deze niet valt aan te merken als een 290-bedrijfsruimte. Een 230a-bedrijfsruimte betreft dus als het ware een ‘restcategorie’. Voor de kwalificatie van bedrijfsruimte is de definiëring van 290-bedrijfsruimte in art. 7:290 lid 2 het uitgangspunt. In dit artikel wordt het toepassingsbereik van de beide categorieën bedrijfsruimte scherp afgebakend (zie verder onderdeel 8.3.3.1).

Het onderscheid tussen de beide bedrijfsruimten – en het kwalificeren van een bedrijfsruimte (zie ook onderdeel 8.1.2 van het algemene deel) – is van essentieel belang: de wettelijke regelingen verschillen inhoudelijk aanzienlijk. De huurder van 290-bedrijfsruimte geniet een verder gaande bescherming dan de huurder van 230a-bedrijfsruimte. Zo is de zogenaamde termijnbescherming en daaraan gekoppeld de opzeggingsbescherming een wezenlijke bescherming van de huurder van 290-bedrijfsruimte die de huurder van een 230a-bedrijfsruimte niet heeft (zie verder onderdeel 8.3.5).

Om toegang te krijgen tot deze pagina, moet u een abonnement nemen.