9.3 Omzetbelasting

9.3.1 Algemeen

Op grond van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) wordt vanaf 1 januari 1969 een belasting geheven onder meer ter zake van de leveringen van goederen en diensten door een als zodanig handelende ondernemer onder bezwarende titel verricht (art. 1 Wet OB). Deze omzetbelasting wordt ook wel belasting over de toegevoegde waarde genoemd (BTW).

Het oogmerk van de Wet OB was een omzetbelasting te introduceren die binnen een productiekolom geen invloed had op de prijs van goederen en diensten. Eerst als een goed of dienst de consument bereikt, drukt de dan in rekening gebrachte omzetbelasting werkelijk op die consument.

Om genoemd oogmerk te bereiken, wordt in iedere schakel van de productiekolom door de leverancier omzetbelasting in rekening gebracht aan de opvolgende ondernemer die deze omzetbelasting vervolgens in aftrek mag brengen.

Dit aftrekmechanisme is cruciaal in het wettelijk systeem. Een ondernemer heeft dit aftrekrecht alleen als hij het goed of de dienst gebruikt om op zijn beurt een goed of dienst te leveren die belast dient te worden met omzetbelasting.

Toepassing van bovenstaand systeem op alle transacties van onroerende zaken tussen ondernemers en consumenten/gebruikers, was in de ogen van de wetgever ongewenst vanwege het bijzondere karakter van onroerende zaken, immers:
– naast de functies van gebruiksvoorwerp of bedrijfsmiddel, is er ook vaak de functie van beleggingsobject,
– onroerende zaken hebben een zeer lange levensduur, waarin vele overdrachten zullen plaatsvinden, waardoor er een aanmerkelijke invloed op de prijszetting zal zijn,

Om toegang te krijgen tot deze pagina, moet u een abonnement nemen.