5.4 Kettingbedingen

Kettingbedingen zijn bedingen die trachten bepaalde verplichtingen ook op rechtsopvolgers onder bijzondere titel te doen overgaan, in de vorm van een persoonlijke verplichting tot het opleggen van die verplichtingen aan de rechtsverkrijger onder bijzondere titel ten behoeve van de gerechtigde uit het kettingbeding.
Kettingbedingen bestaan uit drie elementen (zie ook MODEL 5.4A), te weten:
– de verplichting waar het om gaat; zo’n verplichting kan velerlei inhoud hebben;
– de verplichting om deze verplichting ten behoeve van de gerechtigde op te leggen aan rechtsopvolgers onder bijzondere titel en van deze te bedingen dat ook iedere bedoelde rechtsopvolger het ook weer aan zijn rechtsopvolger ten behoeve van de gerechtigde zal opleggen en van hem zal bedingen;
– de verplichting tot het betalen van een boete wanneer zulks nagelaten wordt.
Kettingbedingen zijn als zodanig niet inschrijfbaar in de openbare registers en missen zakelijke werking.

Een kettingbeding is net zo sterk als de zwakste schakel: als nagelaten wordt van de verkrijger te bedingen dat hij gehouden is aan het beding, dan hoeft deze de verplichting niet jegens zich te laten gelden, ook al was het kettingbeding ingeschreven in de openbare registers. Dit is het nadeel van kettingbedingen ten opzichte van goederenrechtelijk werkende verplichtingen zoals erfdienstbaarheden of kwalitatieve verplichtingen.

Kettingbedingen worden met name gebruikt wanneer het vestigen van erfdienstbaarheden of van kwalitatieve verplichtingen op grond van de eisen die de wet daaraan stelt, niet mogelijk is. Hier valt dus voornamelijk te denken aan verplichtingen om iets te doen.

Om toegang te krijgen tot deze pagina, moet u een abonnement nemen.