4.2 Recht van opstal

4.2.1 Inleiding

Het recht van opstal en dat van erfpacht (zie hiervoor in onderdeel 4.1 besproken) hebben veel met elkaar gemeen. Dat blijkt ook uit de behandeling van het recht van opstal door de wetgever. Tal van wetsbepalingen uit titel 7 van Boek 5 BW zijn simpelweg van overeenkomstige toepassing verklaard op het recht van opstal (zie art. 5:104).

Niettemin zijn er enige principiële en praktische verschillen. Zo ontstaat er bij het recht van opstal een horizontale scheiding van de eigendom in een onroerende zaak, terwijl bij het recht van erfpacht de nadruk ligt op het genot. Biedt de eigendom van een opstal aan de opstaller werkelijk zoveel meerwaarde ten opzichte van het recht van de erfpachter op de zaak? De eigendom die de opstaller heeft, is immers maar betrekkelijk, want deze is afhankelijk van het bestaan van zijn recht van opstal en van de voorwaarden waaronder dit recht van opstal is gevestigd. Maar de psychologie (het gevoel eigenaar te zijn) is voor veel opstalhouders voldoende en van groot belang.

De regeling van het recht van opstal is veelal van dwingendrechtelijke aard, tenzij uit de wet zelf duidelijk anders blijkt. De rechtsverhouding tussen de eigenaar en de opstaller wordt bepaald door deze algemene wettelijke regels en de bepalingen in de akte van vestiging van het concrete recht van opstal. In die akte van vestiging kan daarnaast ook zijn verwezen naar algemene voorwaarden, waarop art. 6:231 van toepassing is. Doorgaans bevat de akte vestiging recht van opstal ook bijzondere,

Om toegang te krijgen tot deze pagina, moet u een abonnement nemen.