8.3 Wettelijke beperkingen van de vertegenwoordigings-bevoegdheid van het bestuur van een NV en BV

8.3.1 Uit de wet voortvloeiende beperkingen van de vertegenwoordigingsbevoegdheid

De bevoegdheid tot vertegenwoordiging die aan het bestuur of aan een bestuurder toekomt is onbeperkt en onvoorwaardelijk voor zover uit de wet niet anders voortvloeit (art. 2:130/240 lid 3).
In de eerste plaats volgt uit de wet dat het bestuur in bepaalde gevallen absoluut onbevoegd is de vennootschap te vertegenwoordigen. Hiervan is sprake indien de bevoegdheid tot het verrichten van bepaalde rechtshandelingen dwingend in de wet aan een ander orgaan is opgedragen. Voorbeelden hiervan zijn benoeming, schorsing en ontslag van bestuurders en commissarissen (art. 2:132/242 en art. 2:134/244). Als het bestuur een dergelijke rechtshandeling verricht, heeft dit een nietige rechtshandeling als resultaat. Zowel de vennootschap als de derde kunnen hierop een beroep doen. Er is geen sprake van een beperking van of voorwaarde voor de wettelijke vertegenwoordigingsbevoegdheid, zoals bedoeld in het derde lid van art. 2:130/240. Het bestuur heeft in het geheel geen bevoegdheid tot vertegenwoordiging omdat de wet een ander orgaan bevoegd verklaard heeft (zie W.C.L. van der Grinten, E.J.J. van der Heijden, Handboek voor de Naamloze en de Besloten vennootschap, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1992, nr. 235.1). Opmerking verdient dat het niet mogelijk is dergelijke rechtshandelingen te bekrachtigen (art. 3:69 jo. art. 3:78).
Het bestuur is in bepaalde gevallen relatief onbevoegd de vennootschap te vertegenwoordigen. Hiervan is sprake indien in de wet is vastgelegd dat het bestuur voor het verrichten van bepaalde rechtshandelingen de toestemming of medewerking van een ander vennootschapsorgaan nodig heeft.

Om toegang te krijgen tot deze pagina, moet u een abonnement nemen.