4.3 Wet, statuten en reglementen; de organisatie van de vereniging

4.3.1 Statuten

In de akte van oprichting worden de statuten opgenomen (art. 2:27 lid 3).

4.3.1.1 Minimumeisen statuten

De statuten moeten in elk geval inhouden (art. 2:27 lid 4):
a de naam van de vereniging en de gemeente in Nederland waar zij haar zetel heeft;
b. het doel van de vereniging;
c. de verplichtingen die de leden tegenover de vereniging hebben, of de wijze waarop zodanige verplichtingen kunnen worden opgelegd;
d. de wijze van bijeenroeping van de algemene vergadering;
e. de wijze van benoeming en ontslag van de bestuurders;
f. de bestemming van het batig saldo van de vereniging in geval van ontbinding, of de wijze waarop de bestemming zal worden vastgesteld.

4.3.1.2 Verhouding statuten en wet

De wet biedt in titel 2 van boek 2 BW een regeling die als het ware de hoofdlijnen van de organisatie van de vereniging behelst.

Deze regeling is deels van dwingend recht (zie bijvoorbeeld art. 2:35 inzake het einde van het lidmaatschap), deels van regelend recht (te herkennen aan de zinsnede: tenzij de statuten anders bepalen; zie bijvoorbeeld art. 2:33) en deels van een combinatie daarvan (zie bijvoorbeeld art. 2:37 lid 2: De statuten kunnen ‘anders regelen, mits’). Binnen de grenzen die de wet daaraan stelt kan de organisatie van de vereniging al naar gelang de wensen van de oprichters in de statuten worden gemodelleerd. Statuten die in strijd zijn met de wet, zijn ongeldig.
Om toegang te krijgen tot deze pagina, moet u een abonnement nemen.