5.7 Ontbinding door besluit

Doorgaans wordt in de statuten bepaald dat het bestuur bevoegd is te besluiten tot ontbinding van de stichting. De bevoegdheid de stichting krachtens besluit te ontbinden, kan ook aan een ander (toezichthoudend) orgaan van de stichting worden toegekend (art. 2:19 lid 1 letter a). Het is ook mogelijk de bevoegdheid tot ontbinding toe te kennen aan een derde. In de praktijk bestaat de behoefte die bevoegdheid te geven bijvoorbeeld aan een benoemende instantie van leden van het bestuur of aan een steunstichting of aan een moederstichting met wie de stichting door middel van een personele unie (zie hiervoor onderdeel 5.5.4.1) is verbonden. Heeft de stichting toezichthoudende organen dan is het niet ongebruikelijk het besluit van het bestuur tot ontbinding statutair te onderwerpen aan de voorafgaande schriftelijke goedkeuring van dat orgaan.
Een enkele maal komt het voor dat in de akte van oprichting reeds een besluit tot ontbinding van de stichting op termijn wordt genomen (vgl. ook Dijk/Van der Ploeg, 2013, nr. 14.1.1).

De (het besluit tot) ontbinding moet worden opgegeven aan de registers waar de stichting is ingeschreven. Deze opgave moet worden gedaan door de vereffenaar, indien deze er is en anders door het bestuur. Doorgaans wordt het bestuur of leden daarvan, zoals het dagelijks bestuur– in de statuten aangewezen als de vereffenaar(s). Ontbreekt in de statuten de benoeming van vereffenaars, dan zijn de bestuurders vereffenaars op grond van art. 2:23. De vereffenaar en bij gebreke daarvan het bestuur dient dus opgave te doen van de ontbinding.

Om toegang te krijgen tot deze pagina, moet u een abonnement nemen.