3.4 Inbreng

In dit onderdeel wordt dieper ingegaan op de inbreng. Zoals besproken in onderdeel 3.2, is een belangrijk element in de definitie van de personenvennootschap de inbreng (Zie hierover ook P.P.D. Mathey-Bal, De positie van de vennootschap onder firma, Wolters Kluwer 2016).

3.4.1 Algemeen

Iedere vennoot moet zich verbinden iets daadwerkelijk in de gemeenschap te brengen (art. 7A:1655 BW). Op grond van art. 7A:1662 lid 1 BW geldt dat de inbreng van een vennoot kan bestaan uit het ter beschikking stellen van geld, goederen, genot van goederen en/of arbeid. De inbreng behoeft niet bij het aangaan van de overeenkomt geleverd te worden. Wanneer over aard en omvang van de inbreng niets is overeengekomen, kan redelijkheid en billijkheid onder omstandigheden meebrengen dat iedere vennoot naar vermogen tot de vorming van het benodigde vermogen dient bij te dragen (Hof Amsterdam 21 december 1920, NJ 1921/894). Niet is vereist dat de inbreng van de ene vennoot gelijkwaardig is aan die van de andere vennoot.

3.4.2 Inhoud van de inbreng

Inbreng is een van de essentiële elementen in art. 7A:1655. De inbreng geschiedt ten behoeve van de samenwerking. Hierdoor wordt de personenvennootschapovereenkomst onderscheiden van de pot- of poolovereenkomst. Iedere vennoot is verplicht iets in te brengen. Overigens betreft het een verplichting van de vennoten; het daadwerkelijk inbrengen is niet verplicht zolang er maar een verplichting voor de vennoten bestaat. Deze verplichting tot inbreng is een verbintenis die voldoende bepaalbaar moet zijn en niet in strijd met de wet,

Om toegang te krijgen tot deze pagina, moet u een abonnement nemen.