2.6 NachgrŸündung

2.6.1 Inleiding

Dit onderdeel behandelt de rechtsfiguur van de Nachgründung. Bij de invoering van de Wet vereenvoudiging en flexibilisering BV-recht op 1 oktober 2012 is deze figuur afgeschaft. Omdat voor het onderzoek naar de geldigheid van rechtshandelingen (zoals bijvoorbeeld de verkrijging van registergoederen of aandelen door een BV) van voor 1 oktober 2012 nog steeds moet worden gekeken of de regeling van de Nachgründung van toepassing is, wordt deze hieronder nog wel behandeld. De regeling blijft ook gelden indien en zolang deze in de statuten van de vennootschap is opgenomen.

Vooraf zij opgemerkt dat de wettelijke regeling met betrekking tot de zogenaamde Nachgründung zowel van toepassing is op de naamloze vennootschap (art. 2:94c (oud)) als ook op de besloten vennootschap (art. 2:204c (oud)). De beide regelingen zijn vrijwel eensluidend. Omdat we de BV in de dagelijkse praktijk nu eenmaal vaker tegenkomen dan de NV is dit onderdeel beperkt tot de BV.

In de Wet vereenvoudiging en flexibilisering van het BV-recht is deze regeling afgeschaft.

De wetgever wantrouwt rechtshandelingen die een vennootschap kort na haar oprichting verricht en welke rechtshandelingen strekken tot het verkrijgen van goederen die hebben toebehoord aan een oprichter of een aandeelhouder van de vennootschap (art. 2:204c (oud)). Op deze manier kan men namelijk de wettelijke regels omzeilen die opgesteld zijn voor de volstorting van aandelen door inbreng in natura. Voor zo’n inbreng schrijft de wet in art. 2:204a en 204b een beschrijving voor van hetgeen wordt ingebracht. Over deze beschrijving moet vervolgens een accountant verklaren dat hetgeen wordt ingebracht ten minste gelijk is aan het bedrag van de stortingsplicht.

Om toegang te krijgen tot deze pagina, moet u een abonnement nemen.