19.7 Verbod, nietigheid, boetes, dwangsommen en clementie

Overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen (o.a.f.g.) als bedoeld in art. 6 lid 1 Mw en art. 101 VWEU, die niet aan de voorwaarden van art. 6 lid 3 Mw en art. 101 VWEU voldoen, zijn van rechtswege verboden, dus zonder dat hiertoe een voorafgaande beslissing vereist is. Wordt wel aan de bedoelde voorwaarden voldaan, dan geldt het verbod niet. Ook daarvoor is geen voorafgaande beslissing vereist.
Een van de rechtsgevolgen van het verbod is de nietigheid van civielrechtelijke rechtshandelingen (overeenkomsten en besluiten, zie art. 6 lid 2 Mw en art. 101 VWEU). Ab initio; erga omnes. Andere gevolgen vergen de tussenkomst van een bestuursorgaan (met in beroep de bestuursrechter) of van de burgerlijke rechter (bijvoorbeeld toewijzing van een vordering uit onrechtmatige daad -stopzetting, ongedaanmaking, schadevergoeding- of uit onverschuldigde betaling). Art. 3:41 BW bepaalt in hoeverre een eventueel niet onder het verbod vallend deel van de overeenkomst of het besluit van een ondernemersvereniging in stand kan blijven. De nietigheid van art. 101 VWEU betreft immers alleen de met art. 101 VWEU onverenigbare clausules. Ook de karteldeelnemers zelf komt een beroep op de nietigheid toe. De conversiemogelijkheid van art. 3:42 BW strekt zich niet uit tot deze nietigheden.

Zie verder arrest HvJEU van 20 september 2001, zaak C-453/99 Courage/Crehan, Jur. 2001, p. I-6297; Verordening nr. 773/2004/EG betreffende procedures, PbEU 2004, L 123/18; Richtlijn 2014/104/EU van 26 november 2014 betreffende regels voor schadevorderingen wegens inbreuken op het mededingingsrecht, PbEU 2014,
Om toegang te krijgen tot deze pagina, moet u een abonnement nemen.