14.4 NachgrüŸndung

14.4.1 Achtergrond Nachgründungsbepaling

In art. 2:94c is de Nachgründung geregeld, een van oorsprong Duitse bepaling. Er is sprake van Nachgründung wanneer de NV in een bepaalde periode na oprichting een vermogensbestanddeel verkrijgt dat toebehoort of heeft toebehoord aan een oprichter.

De Nachgründungsbepaling is naar aanleiding van de uitvoering van de tweede EEG-Richtlijn (thans art. 52 Richtlijn (EU) 2017/1132) in de Nederlandse vennootschapswetgeving opgenomen.

De ratio van de Nachgründungsbepaling is te voorkomen dat de bij oprichting voorgeschreven inbrengcontrole door een bepaalde constructie wordt ontdoken. Een dergelijke constructie zou hieruit kunnen bestaan dat de oprichting plaatsheeft met een storting in geld op de aandelen en dat gelijktijdig of daarna de NV en de oprichter een overeenkomst aangaan tot koop en verkoop van een aan de oprichter toebehorend vermogensbestanddeel. Het gevaar is dan aanwezig dat de waarde van het door de oprichter te verkopen vermogensbestanddeel te hoog wordt vastgesteld, waardoor de vennootschap het te duur koopt. Dit wordt voorkomen door de eis dat in een situatie die onder de Nachgründungsregeling valt, dezelfde waarborgen gelden als bij een inbreng in natura: beschrijving van de inbreng en van de tegenprestatie door de bestuurders, waardering van het vermogensbestanddeel door een onafhankelijke deskundige en publicatie van diens rapport. Bovendien wordt de verkrijging onderworpen aan de goedkeuring van de algemene vergadering.

14.4.2 Elementen Nachgründungsbepaling

14.4.2.1 Verkrijging van een ‘besmet’ vermogensbestanddeel

De Nachgründungsbepaling kent verschillende elementen. Er moet allereerst sprake zijn van een verkrijging van een vermogensbestanddeel dat een jaar vóór de oprichting of nadien toebehoorde aan een oprichter;

Om toegang te krijgen tot deze pagina, moet u een abonnement nemen.