21.2 Vennootschapsbelasting


21.2.1 Belastingsubjecten

21.2.1.1 Inleiding

Art. 1 Vpb bepaalt dat onder de naam ‘vennootschapsbelasting’ een directe belasting wordt geheven van de lichamen die worden genoemd in de art. 2 Vpb. Strikt genomen klopt de naam van deze rijksbelasting niet. De opgesomde lichamen zijn namelijk niet allemaal van het vennootschapstype. Bovendien vallen bepaalde vennootschappen niet als subject onder het bereik van de vennootschapsbelasting, zoals de vennootschap onder firma. Grofweg gezegd vallen twee typen bedrijven onder de vennootschapsbelasting, te weten (1) het midden- en kleinbedrijf (MKB) en (2) het zogenoemde ‘grootbedrijf’, veelal multinationale ondernemingen. Deze tweedeling is echter niet terug te vinden in de Wet Vpb en dat is meteen ook het probleem van deze wet. In wetenschappelijke kringen wordt dit wel aangeduid als de onbuigzaamheid van de vennootschapsbelasting. Het is een tamelijk rigide belasting; zij bevat allerlei antimisbruikbepalingen, zoals op het terrein van de renteaftrek, de deelnemingsvrijstelling, de fiscale eenheid, en de verliesverrekening, die bij uitstek zijn bedoeld voor het grootbedrijf maar die ook integraal van toepassing zijn op het MKB.

Het onderscheid dat wél wordt gemaakt is dat tussen binnenlands belastingplichtige lichamen (art. 2 Vpb) en buitenlands belastingplichtige lichamen (art. 3 Vpb). Binnenlandse belastingplichtigen zijn in Nederland gevestigde lichamen die in de heffing van vennootschapsbelasting worden betrokken voor hun wereldwijde winst, opgevat volgens hoofdstuk II van de Wet Vpb. In hoofdstuk II van de Wet Vpb is geen territoriale afbakening opgenomen wat betreft de herkomst van de winst. Dit in tegenstelling tot buitenlandse belastingplichtigen die slechts in de heffing worden betrokken voor hun Nederlandse inkomen,

Om toegang te krijgen tot deze pagina, moet u een abonnement nemen.