20.1 Inleiding

Diverse wettelijke bepalingen van het Nederlandse NV- en BV-recht zijn van Europese origine. De reden hiervan is dat vanaf het eind van de jaren ’60 in de vorige eeuw tot heden op diverse terreinen van het vennootschapsrecht door de EU harmonisatierichtlijnen zijn uitgevaardigd. De oorsprong hiervan ligt in art. 49 VWEU; deze bepaling voorziet in een recht van vestiging voor vennootschappen.

Het begrip ‘vennootschap’ kent een ruime definitie in art. 54 VWEU. Rechtspersoonlijkheid is geen criterium; personenvennootschappen met en zonder rechtspersoonlijkheid kunnen aanspraak maken op het vestigingsrecht.

Vergelijk het Cartesio-arrest (zie hierna onderdelen 20.3 en 20.4.3), waarbij een Hongaarse personenvennootschap een beroep deed op het vestigingsrecht. Slechts vennootschappen die geen winst beogen zijn uitdrukkelijk uitgezonderd van het Europeesrechtelijke begrip vennootschap.

Vennootschappen moeten voldoen aan een dubbel aanknopingspunt willen zij aanspraak kunnen maken op het vestigingsrecht. Vennootschappen dienen niet alleen te zijn opgericht in overeenstemming met de wetgeving van een lidstaat van de EU, maar ook hun statutaire zetel of hun hoofdbestuur/hoofdvestiging dient binnen de Gemeenschap te zijn gelegen (art. 54 VWEU).

Het vestigingsrecht geeft vennootschappen het recht in een andere lidstaat dan de lidstaat van oorsprong op gelijke voet als vennootschappen van die andere lidstaat agentschappen, bijkantoren of dochterondernemingen op te richten of deelnemingen te nemen in een vennootschap (secundair vestigingsrecht). De woorden ‘op gelijke voet’ duiden aan dat er sprake is van een discriminatieverbod. Verder omvat het vestigingsrecht de verplaatsing van de werkelijke zetel (oftewel het hoofdkantoor) dan wel de statutaire zetel van de vennootschap van de ene lidstaat naar de andere zonder dat dit gepaard gaat met ontbinding en verlies van rechtspersoonlijkheid (primair vestigingsrecht).

Om toegang te krijgen tot deze pagina, moet u een abonnement nemen.