7.3 Stemrecht

Besluiten komen tot stand door het uitbrengen van een stem binnen een orgaan van een rechtspersoon. De art. 2:12 en art. 2:13 regelen het stemrecht bij rechtspersonen.
In art. 2:12 begint de wetgever met een regeling voor het bijzondere geval waarbij aan een lid of een aandeelhouder het stemrecht door de statuten kan worden ontnomen. De statuten kunnen bepalen dat het stemrecht over besluiten waarbij de rechtspersoon aan bepaalde personen rechten toekent of verplichtingen kwijtscheldt, aan die personen (en aan haar echtgenoot, geregistreerd partner of bloedverwanten in de rechte lijn) kan worden ontzegd. De strekking van deze bepaling is duidelijk. Een lid of aandeelhouder kan te nauw betrokken zijn bij een bepaald onderwerp en daarbij een persoonlijk belang hebben. Wel noemt de wet één uitzondering op deze regel. Het belang dat iemand in zijn hoedanigheid van lid van een orgaan of van aandeelhouder heeft wordt niet gezien als een persoonlijk belang waarvoor de betrokkene niet zou mogen meestemmen. Men bedenke hier nog dat art. 2:12 de mogelijkheid biedt om in de statuten van de rechtspersoon op te nemen dat het stemrecht wordt ontzegd aan diegenen die persoonlijk te zeer betrokken zijn bij het te nemen besluit. Hetzelfde kan gelden voor de echtgenote, geregistreerd partner of bloedverwanten in de rechte lijn van deze persoon.
Een meer algemene regeling van het stemrecht behandelt de wetgever in art. 2:13. Deze regeling is voor de praktijk meer van belang en wordt hierna uitvoeriger besproken.

Art. 2:13 lid 1 geeft antwoord op de vraag of een stem ook kan worden vernietigd los van het besluit dat op basis van deze stem is genomen.

Om toegang te krijgen tot deze pagina, moet u een abonnement nemen.