12.6 Het toepasselijke recht op het geregistreerd partnerschapsvermogensregime

12.6.1 Algemeen

Op grond van de op 1 januari 1998 in werking getreden Wet inzake het geregistreerd partnerschap kunnen personen van gelijk en personen van verschillend geslacht hun partnerschap bij de ambtenaar van de Burgerlijke Stand in Nederland laten registreren (art. 1:80a BW). Deze mogelijkheid tot registratie geldt, behalve voor Nederlanders, ook voor EU-onderdanen die in Nederland rechtsgeldig verblijf houden en voor onderdanen van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte die beschikken over een geldige verblijfstitel. (in dit laatste geval gaat het om Liechtenstein, Noorwegen en IJsland). Daarnaast kan een ieder die een rechtsgeldige verblijfstitel in Nederland heeft hier te lande een geregistreerd partnerschap aangaan. De internationaal-privaatrechtelijke aspecten van het geregistreerd partnerschap zijn geregeld in Titel 4 van Boek 10 BW.

 

Bij het opstellen van de verwijzingsregels van Titel 4 is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de conflictregels inzake het huwelijk. Anders dan bij het huwelijk heeft men echter eenzijdige conflictregels geformuleerd: deze regels geven uitsluitend aan wanneer het Nederlandse partnerschapsrecht van toepassing is. De wet maakt hierbij een onderscheid tussen een geregistreerd partnerschap dat in Nederland wordt aangegaan en een geregistreerd partnerschap dat in het buitenland wordt aangegaan. Voor eerstgenoemde partnerschappen gelden de Nederlandse voorschriften. Voor laatstgenoemde partnerschappen dient men het recht (inclusief het ipr) van het land waar deze zijn aangegaan te raadplegen. Hierbij geldt dat een in het buitenland conform het daar geldende recht aangegaan geregistreerd partnerschap in Nederland als zodanig wordt erkend,

Om toegang te krijgen tot deze pagina, moet u een abonnement nemen.