10.9 De uitsluitingsclausule en de insluitingsclausule

10.9.1 Inleiding

De uitsluitingsclausule is gebaseerd op art. 1:94 lid 4: buiten de gemeenschap van goederen vallen de goederen, alsmede de vruchten van die goederen, ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking of bij de gift is bepaald dat zij buiten de gemeenschap vallen, ook al zijn echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen dat krachtens erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift verkregen goederen dan wel de vruchten daarvan in de gemeenschap vallen ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking van de erflater of bij de gift is bepaald dat zij buiten de gemeenschap van goederen vallen.

In de wettelijke regeling voor verrekenbedingen is de uitsluitingsclausule geregeld in art. 1:134: bij uiterste wilsbeschikking van de erflater of bij de gift kan worden bepaald dat geen verrekening van krachtens erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift verkregen vermogen en van de vruchten daarvan plaatsvindt, indien verrekening daarvan ingevolge huwelijkse voorwaarden zou behoren plaats te vinden.

Ten onrechte spreekt men wel van ‘geclausuleerde makingen en giften’. De onjuistheid is gelegen in het feit dat het begrip ‘making’ is voorbehouden voor testamentaire beschikkingen, terwijl de clausule ook kan worden verbonden aan een verkrijging bij versterf. Vandaar ook dat vóór ‘uiterste wilsbeschikking’ het lidwoord ontbreekt.

Sinds de invoering van de beperkte gemeenschap van goederen als huwelijksvermogensrechtelijk basisstelsel per 1 januari 2018 kennen we ook de insluitingsclausule; in art. 1:94 lid 3 sub b is bepaald dat de hoofdregel van art. 1:94 lid 2 sub a, inhoudende dat krachtens erfopvolging bij versterf,

Om toegang te krijgen tot deze pagina, moet u een abonnement nemen.