10.8 Wettelijke verdeling, quasi-wettelijke verdeling, facultatieve wettelijke verdeling en aangepaste obv (‘obv-plus’)

10.8.1 Inleiding

Sinds de vernieuwing van het erfrecht per 1 januari 2003 kennen we de wettelijke verdeling, te vinden in afdeling 4.3.1 (art. 4:13 tot en met art. 4:27).

Blijkens art. 4:13 lid 1 wordt de nalatenschap van een erflater die een echtgenoot (of geregistreerd partner) en één of meer kinderen als erfgenamen achterlaat volgens afdeling 4.3.1 verdeeld, tenzij de erflater heeft bepaald dat deze afdeling geheel buiten toepassing blijft.

De geregistreerd partner wordt in het hele erfrecht gelijkgesteld aan een echtgenoot, zie art. 4:8 lid 1).

In één adem gezegd, houdt de wettelijke verdeling in, dat de langstlevende echtgenoot eigenaar wordt van alle bezittingen en daartegenover verplicht is om alle schulden voor rekening te nemen, terwijl de kinderen hun erfdeel tegoed houden in de vorm van een vordering op de langstlevende, die pas opeisbaar wordt bij het overlijden van de langstlevende of eventueel ingeval van faillissement van – of toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen op – de langstlevende.

Simplificerend zou kunnen worden gezegd dat de op art. 4:1167 (oud) gebaseerde ouderlijke boedelverdeling (o.b.v.), die onder het oude erfrecht het meest populaire langstlevende-testament was geworden, nu in de wet is vastgelegd ook voor de situaties waarin er geen testament is gemaakt. Er zijn overigens wel heel wat verschillen tussen de ouderlijke boedelverdeling en de wettelijke verdeling, zie daarover onderdeel 10.8.7.3.

Het grote voordeel van de wettelijke verdeling ten opzichte van de situatie onder het oude erfrecht is,

Om toegang te krijgen tot deze pagina, moet u een abonnement nemen.