10.12 Stiefkinderen

10.12.1 Inleiding

In toenemende mate komen relaties voor met kinderen die geboren zijn uit meerdere (niet-huwelijkse en huwelijkse) relaties. In het erfrecht wordt slechts heel beperkt aandacht besteed aan ‘stiefkinderen’, onder meer in art. 4:27 en ook bij de andere wettelijke rechten als bedoeld in art. 4:36 en 38 en de bijzondere regeling van inkorting in geval van giften aan stiefkinderen als bedoeld in art. 4:91.

Voordat deze regelingen behandeld worden, eerst enige aandacht voor de begrippen ‘kind’ en ‘stiefkind’.

10.12.1.1 Definities

Men staat in een familierechtelijke betrekking tot zijn juridische ouder(s) en tot al degenen met wie men via een van die ouders is verbonden, door middel van een (keten van) juridische ouder-kindrelatie(s) (vgl. Van Es, Nieuw Erfrecht 2006). De basis voor deze ouder-kindrelatie is veelal bloedverwantschap. Met bloedverwanten in de leden 1 en 2 van art. 4:10 worden bedoeld: (de afstammelingen van) een kind, broer, zuster, grootouder en overgrootouder. Ook buiten bloedverwantschap kan een juridische ouder-kindrelatie ontstaan: dan is sprake van een wettelijke fictie, ontstaan door adoptie (art. 1:227 e.v.), erkenning (art. 1:203 e.v.) of vaststelling van gerechtelijk ouderschap (art. 1:207). De juridische ouder-kindrelatie wordt ook wel gekwalificeerd als de familierechtelijke betrekking, waarin beide personen met elkaar staan.

Alleen zij die tot de erflater in een familierechtelijke betrekking stonden, worden tot de in art. 4:10 bedoelde bloedverwanten gerekend. Dat kan worden opgemaakt uit de tekst van lid 3 van art. 4:10. Alleen als zodanig kunnen zij als erfgenamen bij versterf opkomen in de nalatenschap van erflater.

Om toegang te krijgen tot deze pagina, moet u een abonnement nemen.