4.4 De samenleving eindigt door overlijden

4.4.1 Algemeen

In onderdeel 4.1.2 werd al geconstateerd dat het enkele feit dat mensen samenwonen geen civielrechtelijke, en met name ook geen erfrechtelijke consequenties heeft. Als het de bedoeling is dat de langstlevende partner bij het overlijden iets verkrijgt, dan zullen de partners dat dus zelf moeten regelen.

Omdat een uiterste wilsbeschikking per definitie een eenzijdige rechtshandeling is (zie art. 4:42 lid 1) en alleen bij uiterste wil kan worden gemaakt (art. 4:42 lid 3), is het niet mogelijk om uiterste wilsbeschikkingen in de zin van Boek 4 Burgerlijk Wetboek in een samenlevingscontract vast te leggen. Ook een gemeenschappelijk testament is niet mogelijk (art. 4:93).

Wel kunnen de partners aan elkaar schenkingen doen met werking bij overlijden, en kunnen ze met name ook overeenkomen dat bij het overlijden van één van hen alle gemeenschappelijke bezittingen aan de langstlevende zullen toekomen (verblijvingsbeding); we betreden met deze zogenaamde quasi-legaten (zie art. 4:126) het terrein van het contractuele erfrecht. Ook een overnamebeding is mogelijk, waaraan de langstlevende partner meer zekerheid kan ontlenen dan aan een – herroepelijk – legaat tegen inbreng.

In dit hoofdstuk zal allereerst aandacht worden besteed aan het verblijvingsbeding als verzorgingsmechanisme (onderdeel 4.4.2), gevolgd door een algemene beschouwing over het testament (onderdeel 4.4.3), waarna in onderdeel 4.4.4 de voor- en nadelen van beide mogelijkheden met elkaar vergeleken zullen worden.

In onderdeel 4.4.5 zal vervolgens aandacht worden besteed aan diverse testamentaire regelingen voor samenwoners met kinderen, terwijl in onderdeel 4.4.6 wordt bezien welke invloed de toepassing van de zogenaamde ‘partnerclausule’ bij een overlijdensrisicoverzekering op de civiele en fiscale situatie heeft.

Om toegang te krijgen tot deze pagina, moet u een abonnement nemen.