2.3 Gezagsrecht


2.3.1 Procedure

2.3.1.1 Bewindsclausule (art. 1:253i lid 4 onder c en leden 5 en 6)

In beginsel voeren de ouders in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening gezamenlijk het bewind over het vermogen van het kind en vertegenwoordigen zij gezamenlijk het kind in burgerlijke handelingen, met dien verstande dat een ouder alleen, mits niet van bezwaren van de andere ouder is gebleken, hiertoe ook bevoegd is (art. 1:253i lid 1). Bewindvoering vormt een onderdeel van gezagsuitoefening, naast gezagsuitoefening met betrekking tot de persoon van de minderjarige — vgl. verzorging en opvoeding (art. 1:247 BW) — en wettelijke vertegenwoordiging (art. 1:245 lid 4). Bewindvoering en wettelijke vertegenwoordiging betreffen de vermogensrechtelijke aspecten van het gezag, verzorging en opvoeding betreffen de personenrechtelijke aspecten daarvan, al moet hieraan meteen worden toegevoegd dat verzorging en opvoeding uiteraard ook rechtsgevolgen hebben op vermogensrechtelijk gebied. Oefent een ouder het gezag alleen uit (bijvoorbeeld ingevolge de art. 1:253b e.v.), dan wordt door die ouder het bewind over het vermogen van het kind gevoerd en het kind in burgerlijke handelingen vertegenwoordigd (art. 1:253i lid 3). Bij bewind in geval van minderjarigheid gaat het primair over vermogensbeheer door de wettelijke vertegenwoordiger in het belang van de handelingsonbekwame. Zie hierover F.W.J.M. Schols, K. Blankman en J.B. Vegter, preadvies KNB 2004, in het bijzonder het onderdeel van Blankman, p. 73-103. In onderdeel 3.2 behandelt hij het voogdijbewind (3.2.1 – 3.2.6), waarbij ook het bewind door de ouder met ouderlijk gezag aan de orde komt (3.2.7). Zie ook J.H.M. ter Haar,

Om toegang te krijgen tot deze pagina, moet u een abonnement nemen.