9.2 Wel of geen gift?

9.2.1 Begrippen gift en schenking

Het schenkingsrecht kent de volgende twee kernbegrippen:
– de schenking;
– de gift.

De schenking is geregeld in art. 7:175-7:185 en wordt in art. 7:175 lid 1 omschreven als volgt:

‘Schenking is de overeenkomst om niet, die ertoe strekt dat de ene partij, de schenker, ten koste van eigen vermogen de andere partij, de begiftigde, verrijkt.’

Om te kunnen spreken van een schenking, moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:
– overeenkomst;
– om niet;
– verarming schenker en verrijking begiftigde;
– vrijgevigheid/bevoordelingsbedoeling.

Blijkens lid 2 van art. 7:175 wordt het bestaan van de schenkingsovereenkomst al snel aangenomen: het tot een bepaalde persoon gericht schenkingsaanbod geldt als aangenomen, wanneer deze na ervan kennis te hebben genomen, het niet onverwijld heeft afgewezen. Soortgelijke regeling komt ook voor in art. 6:5 lid 2, inzake de natuurlijke verbintenis, art. 6:160, inzake afstand om niet van een vorderingsrecht (kwijtschelding) en art. 6:253 lid 4, bij aanvaarding van een derdenbeding.

De gift wordt in art. 7:186 lid 2 omschreven als volgt:

‘… iedere handeling die er toe strekt dat degeen die de handeling verricht, een ander ten koste van eigen vermogen verrijkt. Zolang degene tot wiens verrijking de handeling strekt, de prestatie niet heeft ontvangen, noch daarop aanspraak kan maken, worden handelingen als bedoeld in de eerste volzin niet beschouwd als gift.’

Het begrip gift komt derhalve nagenoeg overeen met het oude begrip materiële schenking.

Om toegang te krijgen tot deze pagina, moet u een abonnement nemen.