11.9 Inkomen uit sparen en beleggen

In box 3 wordt het inkomen uit sparen en beleggen in de heffing van inkomstenbelasting betrokken. De inkomsten worden forfaitair bepaald en belast tegen een proportioneel tarief van 30%. Het voordeel uit sparen en beleggen wordt voor de belastingjaren tot en met 2016 gesteld op 4% (forfaitaire rendement) van de rendementsgrondslag aan het begin van het kalenderjaar voor zover die meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen (art. 5.2 lid 1 Wet IB 2001). 

Vanaf 1 januari 2017 wordt het forfaitair rendement bepaald aan de hand van de gemiddelde verdeling van het box 3-vermogen tussen spaargeld en beleggingen (de vermogensmix), in combinatie met in het verleden in de markt gerealiseerd rendement op beide componenten. De wet veronderstelt een bepaalde verdeling tussen sparen en beleggen. Hoe de werkelijke verdeling tussen sparen en beleggen is, is niet van belang. Dit is gevat in een tabel. In de eerste schijf tot € 70.800 geldt in 2018 per saldo een forfaitair rendement van 2,02%; in de tweede schijf van € 70.800 tot € 978.000 een rendement van 4,33% en in de derde schijf boven € 978.000 bedraagt het forfait 5,38%. Genoemde percentages zijn de resultante van de voor 2018 vastgestelde rendementen voor rendementsklasse I (0,36%) en rendementsklasse II (5,38%) en de in de wet vastgelegde veronderstelde verdeling in elke schijf van de grondslag sparen en beleggen tussen rendementsklasse I (sparen) en rendementsklasse II (beleggen). In de eerste schijf bedraagt de mix 67% rendementsklasse I en 33% rendementsklasse II, in de tweede schijf bedragen de percentages respectievelijk 21% en 79% en in de derde schijf 0% en 100%.

Om toegang te krijgen tot deze pagina, moet u een abonnement nemen.