11.3 Ouders en minderjarige kinderen

Inkomensbestanddelen van minderjarige kinderen worden toegerekend aan hun ouders. Art. 2.15 Wet IB 2001 regelt deze toerekening. Winst uit onderneming en arbeidsinkomsten van minderjarige kinderen worden bij henzelf belast, net als periodieke uitkeringen en verstrekkingen die niet de tegenwaarde van een prestatie vormen. Het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden, de inkomsten uit eigen woning, de inkomsten uit aanmerkelijk belang en de inkomsten uit sparen en beleggen en de op grond van art. 9.2 Wet IB 2001 ter zake als voorheffing in aanmerking te nemen geheven dividendbelasting worden bij de ouders in aanmerking genomen. Het wettelijk vruchtgenot blijft buiten beschouwing.

Men kan zich afvragen hoe moet worden omgegaan met de inkomsten van het minderjarige kind in het jaar dat het kind meerderjarig wordt. Nu één peildatum wordt gehanteerd in box 3 (1 januari van het betreffende kalenderjaar) wordt in het jaar dat het kind meerderjarig wordt, het forfaitaire rendement uit diens vermogen nog geheel toegerekend aan de ouders.

Met betrekking tot de overige inkomsten die worden toegerekend aan de ouders, gaan wij ervan uit dat deze vanaf het moment dat het kind meerderjarig is, aan het kind zelf toekomen. Voor zover het inkomsten uit eigen woning betreft, staan wij een tijdsevenredige benadering voor. Als ouder wordt aangemerkt degene die het ouderlijk gezag over het kind uitoefent. Onder ouderlijk gezag wordt verstaan het gezag als bedoeld in art. 1:245 e.v. BW. Aan de ouder die van het ouderlijk gezag is ontheven ex art. 1:266 BW (de ouder is ongeschikt of onmachtig zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen) worden toch de inkomsten van het minderjarige kind toegerekend,

Om toegang te krijgen tot deze pagina, moet u een abonnement nemen.