7.6 Alimentatie

7.6.1 Partneralimentatie

7.6.1.1 De alimentatieovereenkomst

In beginsel heeft de ex-echtgenoot die niet zelf (geheel) in eigen levensonderhoud kan voorzien recht op een uitkering van de ander, zie art. 1:157. Voor het berekenen van de omvang van de alimentatieplicht noemt de wet alleen de wettelijke maatstaven: draagkracht en behoefte (art. 1:397).

Partijen hebben een grote contractsvrijheid op het terrein van de alimentatie. Men kan bijvoorbeeld afwijken van de wettelijke maatstaven. Een reden hiervoor kan zijn een overbedeling van een partij bij de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.

Ook is een nihilbeding mogelijk, zie 7.5.4.10. Een dergelijk beding houdt in dat men over en weer afstand doet van het recht op onderhoud, tenzij de omstandigheden veranderen. Ook deze laatste wijzigingsmogelijkheid kan worden uitgesloten, zodat het nihilbeding ook bij wijziging van omstandigheden blijft bestaan.
Voorts is het mogelijk in het convenant van andere alimentatiebepalingen van regelend recht af te wijken, zoals van art. 1:160, waarin bepaald wordt dat de alimentatieplicht definitief eindigt bij een nieuw huwelijk of samenwonen als ware men gehuwd of geregistreerd van de alimentatiegerechtigde.
Ook afwijken van de wettelijke indexering (art. 1:402a) behoort tot de mogelijkheden. Partijen kunnen in hun overeenkomst de indexering geheel uitsluiten, maar ook kan de indexering tijdelijk, bijvoorbeeld het eerste jaar, worden uitgesloten.
Voorts kan de alimentatietermijn in het contract worden gelimiteerd op een kortere of juist een langere termijn dan de wettelijke alimentatietermijnen van art. 1:157. Deze zijn de termijn van 12 jaar van art.
Om toegang te krijgen tot deze pagina, moet u een abonnement nemen.