1.4 Opzet en indeling van het handboek

Bij het opzetten van het handboek is ernaar gezocht op welke wijze de behandelende (kandidaat-)notaris het snelst en eenvoudigst achter de benodigde informatie komt. Mede gelet op de nieuwe termijnen staat de vraag centraal welke stappen bij een ordentelijke afwikkeling successievelijk gezet behoren te worden. Zoals hiervoor reeds aangegeven, is het van belang tot een zekere standaardisering voor boedelafwikkeling te komen. De chronologie der handelingen moet daarbij, mede gelet op de termijnen, in de gaten gehouden worden.
Er is ervoor gekozen een viertal veel voorkomende soorten van boedelafwikkeling te beschrijven in de hoofdstukken 2 tot en met 5. Daarbij is uitgegaan van een standaard-boedelafwikkeling zonder ‘poespas’ (wettelijke verdeling, wettelijke vereffening etc.) met twee of meer erfgenamen als basis (hoofdstuk 2), waarna in de hoofdstukken 3, 4 en 5 de varianten daarop worden beschreven. Binnen elke soort boedelafwikkeling komen echter ook variaties voor die in de procesbeschrijving zijn meegenomen. Zo wordt ingegaan op de gevallen waarin een erfgenaam een wettelijke vertegenwoordiger heeft.
Daarbij speelt de juridische context waarin de afwikkeling gestalte krijgt natuurlijk een rol, maar daarop is het handboek niet in eerste instantie geschreven. Uit de aard van een handboek vloeit voort dat in het betreffende hoofdstuk alle aspecten van de afwikkeling van een bepaalde nalatenschap geheel beschreven zijn. De hoofdstukken 3 en 4 zijn dan ook grotendeels gebaseerd op de standaard-afwikkeling zoals die in hoofdstuk 2 is beschreven. Daar waar de tekst nagenoeg hetzelfde is als in hoofdstuk 2 is — anders dan in de eerste drukken van dit werk — volstaan met een verwijzing naar hoofdstuk 2.

Om toegang te krijgen tot deze pagina, moet u een abonnement nemen.