1.1 Algemene inleiding

De wet bevat geen wettelijke regeling aan de hand waarvan in normale gevallen nalatenschappen dienen te worden afgewikkeld. Wel is er de zogenaamde regeling van de wettelijke vereffening: in bepaalde gevallen moet de nalatenschap op formele, ambtelijke wijze worden afgewikkeld. Kort gezegd is daarvan sprake indien een erfgenaam beneficiair aanvaardt of wanneer de rechter op verzoek een vereffenaar benoemt (art. 4:202 lid 1). Mogelijk is echter ook dat de erflater een regeling heeft getroffen door bij testament een executele of een afwikkelingsbewind in te stellen. Weliswaar zal beneficiaire aanvaarding vaker voorkomen dan dat de rechter een vereffenaar benoemt, maar de wetgever heeft een aantal belangrijke uitzonderingen op de hoofdregel, dat in dat geval overeenkomstig afdeling 3 van titel 6 behoort te worden vereffend, geformuleerd. Dat maakt dat deze hoofdregel maar in betrekkelijk weinig gevallen van toepassing zal zijn. De uitzonderingen komen vaker voor dan de hoofdregel, zo lijkt het.
In verband hiermee staat ook een ander aspect van het systeem van de wet: het vermogen gaat onder algemene titel op de erfgenamen over, niet alleen de goederen, maar ook de schulden en de rechtsverhoudingen die aan de erflater kleefden. De verantwoordelijkheid over de nalatenschap en de afwikkeling daarvan is daarmee in handen van de erfgenamen gelegd. Dat gaat uiteraard gepaard met de nodige waarborgen voor de schuldeisers (van zowel de erflater als van de erfgenamen), voor de erfgenamen en ten slotte voor de Staat der Nederlanden vanwege de heffing van erfbelasting.
Voor de schuldeisers van de erflater bestaan de waarborgen er in de eerste plaats in dat zij verhaal op de goederen van de nalatenschap hebben.

Om toegang te krijgen tot deze pagina, moet u een abonnement nemen.