10.12 Europa – vanaf 17 augustus 2015

In dit onderdeel staat de wijze waarop een internationale nalatenschap vererft en dient te worden afgewikkeld volgens de regels van de Europese Erfrechtverordening centraal. De verordening is van toepassing op de erfopvolging van personen die overlijden op of na 17 augustus 2015. De regeling wordt uiteengezet aan de hand van enkele veel voorkomende praktijksituaties: de Nederlander met onroerend (vakantiehuis) en roerend (bankrekening) vermogen in een andere Europese lidstaat en de Europeaan met dergelijk vermogen in Nederland. Zowel de situatie zonder als met testament komt aan bod, waarbij voor de laatste situatie onderscheid wordt gemaakt tussen het geval waarin een (geldige) rechtskeuze is uitgebracht en het geval waarin deze ontbreekt.

Zie over de hoofdlijnen van het Europese internationaal erfrecht ook onderdeel 10.3 alsmede onder meer het themanummer ‘Nieuw IPR-Erfrecht: de Erfrechtverordening’, WPNR 7024 (2014), welke bijdragen tevens zijn opgenomen in P. Vlas e.a., De Erfrechtverordening (WPNR-boekenreeks), Den Haag: Sdu 2014, het themanummer ‘Europese Erfrechtverordening en de notariële praktijk’, TE 2015/4 en het themanummer ‘De Europese Erfrechtverordening’, FTV 2015 (september).

10.12.1 Nederlander met vermogen in een andere Europese lidstaat en gewone verblijfplaats in Nederland

De Europese Erfrechtverordening hanteert het eenheidsstelsel. Dit betekent dat in de Europese regels van internationaal erfrecht geen onderscheid wordt gemaakt tussen het toepasselijke recht op de onroerende en dat op de roerende zaken.
Het als toepasselijk aangewezen recht beheerst zowel de vererving als de afwikkeling van de nalatenschap. Ook op dat punt behoeft derhalve geen onderscheid te worden gemaakt.

Om toegang te krijgen tot deze pagina, moet u een abonnement nemen.