10.1 Internationaal privaatrecht algemeen

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de internationale boedelafwikkeling. Het gaat hierbij om de regels van internationaal privaatrecht die bepalen welk recht de boedelafwikkeling beheerst indien hieraan internationale aspecten zijn verbonden. Het gaat dan om boedels die bijvoorbeeld een huis in het buitenland omvatten, waarbij de Nederlandse erflater in het buitenland woont of waarin een buitenlander in Nederland woont dan wel hier te lande vermogen heeft. In onderdeel 10.1 worden eerst enkele algemene opmerkingen over het (systeem van het) internationaal privaatrecht gemaakt en vervolgens wordt ingegaan op enkele specifieke kenmerken van het internationaal privaatrecht in relatie tot het erfrecht (10.2). In onderdeel 10.3 volgt een uiteenzetting van de regels van het geldende Europese internationaal erfrecht uit de Erfrechtverordening (ten aanzien van nalatenschappen die op of na 17 augustus 2015 open zijn gevallen) en in onderdeel 10.4 van het (voormalige) Nederlandse internationaal erfrecht. Vervolgens worden deze regels in de onderdelen 10.5 tot en met 10.11 toegepast op een aantal in de praktijk veel voorkomende casusposities, telkens in relatie tot een ander land. Hierbij worden telkens de volgende vier situaties onder de loep genomen: a. de Nederlander met vermogen in het buitenland; b. de Nederlander met gewone verblijfplaats in het buitenland; c. de buitenlander met gewone verblijfplaats in het buitenland en vermogen in Nederland; en d. de buitenlander met gewone verblijfplaats in Nederland. Met uitzondering van Engeland (waar de Erfrechtverordening niet wordt toepast), gaat het hierbij steeds om de commune regels van internationaal privaatrecht, zoals deze gelden voor nalatenschappen die vóór 17 augustus 2015 zijn opengevallen.
Om toegang te krijgen tot deze pagina, moet u een abonnement nemen.