6.20 Depot-testamenten en noodtestamenten


6.20.1 Het depot-testament


6.20.1.1 Inleiding

Ingevolge art. 4:94 kan – afgezien van codicillen en noodtestamenten – een uiterste wil alleen worden gemaakt bij een notariële akte of bij een aan een notaris in bewaring gegeven onderhandse akte. Dat laatste noemt men een depot-testament. Welbeschouwd bestaat het depot-testament uit twee delen: de onderhandse akte en de notariële akte van bewaargeving.
De meeste bepalingen die voor reguliere notariële testamenten gelden zijn ook van toepassing op het depot-testament. Daarnaast bestaat er een aantal bijzondere regels met betrekking tot die testamentsvorm. Deze komen hieronder aan de orde.

Voor de inhoud van de beschikkingen in het depot-testament gelden dezelfde regels als voor die in reguliere notariële testamenten. De beperktere regels die op codicillen van toepassing zijn, gaan niet op voor depot-testamenten.

De gang van zaken is als volgt (zie voor dit alles art. 4:95). De onderhandse uiterste wil wordt door de erflater aan een notaris ter hand gesteld. Zie voor de vormvereisten van het onderhandse stuk het volgende onderdeel. Bij de terhandstelling moet de erflater verklaren dat het aangeboden stuk zijn uiterste wil bevat en dat aan de vereisten van art. 4:95 lid 2 is voldaan. Dat laatste wil zeggen dat de erflater ten minste verklaart dat hij het stuk heeft ondertekend. Bovendien verklaart hij dat, wanneer de uiterste wil door een ander dan de erflater (er is sprake van een ‘allograaf’) of met mechanische middelen is geschreven,
Om toegang te krijgen tot deze pagina, moet u een abonnement nemen.