6.2 Gebreken in de uiterste wil


6.2.1 Inleiding

In dit onderdeel wordt ingegaan op de vraag hoe de notaris dient te handelen ingeval hij een gebrek in een uiterste wilsbeschikking bemerkt. Onder ‘gebrek’ valt in deze ieder defect in de rechtshandeling van het testeren, ten aanzien van de persoon van de testateur, in de vorm van de uiterste wilsbeschikking of in de inhoud daarvan.
De cruciale vragen zullen steeds zijn of de onvolkomenheid zelf geheeld kan worden en wat de gevolgen van een nietigheid zijn voor de eventuele overige beschikkingen in de uiterste wil.


6.2.1.1 Overgangsrecht

Wanneer de boedelbehandelaar te maken krijgt met een uiterste wil die onder oud recht is opgemaakt, moet hij weten welk recht van toepassing is op die uiterste wil. Deze vraag rijst eveneens ingeval de uiterste wil een gebrek bevat. Ten aanzien van het maken van uiterste wilsbeschikkingen kan men drie tijdvakken onderscheiden: vóór 1 oktober 1999, van 1 oktober 1999 tot 1 januari 2003, en vanaf 1 januari 2003.
Dient men bijvoorbeeld een onder oud recht nietige making als geldig te beschouwen, indien het nieuwe recht op het gebrek niet de nietigheidssanctie stelt? Onderdeel 6.15 gaat op deze overgangsrechtelijke problemen in.
De overgangsrechtelijke nulliteiten-problematiek is als volgt in een beknopt schema weer te geven (de verwijzingen zijn naar artikelen in de Overgangswet NBW):

Oud ↓ nieuw →GeldigVernietigbaarNietig
geldig (79)geldiggeldig (79)geldig (79)
vernietigbaar (80)geldig (80 lid 1)vernietigbaarnietig (80 lid 2) i
nietig (81)geldig (81 lid 1) i,
Om toegang te krijgen tot deze pagina, moet u een abonnement nemen.