6.15 Overgangsrechtelijke incidenten

6.15.1 Inleiding

Op verschillende manieren kan de boedelbehandelaar te maken krijgen met erfrechtelijk overgangsrecht. Om erachter te komen of er al dan niet sprake is van een overgangsrechtelijk probleem moet hij eerst het antwoord weten op de volgende vragen:
• Wanneer is de erflater overleden?
• Wanneer is de uiterste wil gemaakt?
• Wijkt de mogelijk toe te passen nieuwe rechtsregel af van de in aanmerking komende rechtsregel van het oude recht?
Op tal van punten wijkt het erfrecht sinds 2003 af van het daarvóór geldende erfrecht.

Belangrijke veranderingen betreffen de volgende onderwerpen:
• het erfrecht bij versterf: positie (van tafel en bed gescheiden) echtgenoot, geen kloving meer, positie halfbroers en –zusters;
• plaatsvervulling ook voor de levenden, ingeval van onwaardigheid, verwerping, vervallenverklaring of onterving;
• positie stiefkinderen;
• aanwas is anders geformuleerd;
• niemand verder dan de zesde graad kan bij versterf erven;
• de legitieme portie is ingrijpend gewijzigd;
• executele en bewind zijn gerenoveerd.
Als de overgangsrechtelijke vraag is gesteld, zal in veel gevallen het antwoord gegeven kunnen worden aan de hand van de Overgangswet NBW, hetzij door de toepassing van de algemene beginselen van het overgangsrecht (titel 3), hetzij door de regels die gelden voor rechtshandelingen (titel 4) of door de regels van de erfrechtelijke titel 5, die tegelijk met de inwerkingtreding van Boek 4 is gaan gelden.
Soms echter is het antwoord niet rechtstreeks uit het overgangsrecht af te leiden.

Om toegang te krijgen tot deze pagina, moet u een abonnement nemen.