7.8 Specifieke bepalingen uit de Successiewet

7.8.1 art. 10 SW

Een van de belangrijkste fictiebepalingen in de Successiewet 1956 is art. 10 SW. De strekking van deze bepaling wordt in de Memorie van Toelichting als volgt uiteengezet: ‘Artikel 10 heeft tot doel te voorkómen dat successierecht (c.q. erfbelasting) wordt ontweken doordat een toekomstige erflater (te vererven) vermogen omzet in (niet-verervende) genotsrechten.’ (Kamerstukken II 2009/10, 31 930, nr. 3, p. 30)
Het bekende voorbeeld uit de praktijk is de overdracht van het woonhuis door ouders aan hun kinderen onder voorbehoud van een woonrecht (veelal een recht van vruchtgebruik of een recht van gebruik en van bewoning). De ouders behouden het woongenot van de woning gedurende hun leven, maar bij overlijden behoort de woning niet tot hun nalatenschap, terwijl het woonrecht door het overlijden is beëindigd. Zonder art. 10 SW 1956 zou geen erfbelasting kunnen worden geheven over de verkrijging bij de kinderen, er wordt immers door het overlijden niets verkregen. Door toedoen van art. 10 SW 1956 wordt de woning geacht krachtens erfrecht te zijn verkregen en wordt de zuivere verkrijging bij het betreffende kind belast.

7.8.1.1 De werking van art. 10 SW

Per 1 januari 2010 is art. 10 SW 1956 op een groot aantal punten aangepast. De wijzigingen hebben directe werking. Er zijn overgangsregelingen getroffen in het besluit van 4 april 2012, nr. BLKB2012/103M, V-N 2012/21.24, voor genotsituaties ontstaan vóór 2010 bij overdrachten van woningen, situaties waarin het vruchtgebruik is omgezet in huur en bij situaties van gesplitste aankoop of bij splitsing na aankoop van de volle eigendom van de woning.

Om toegang te krijgen tot deze pagina, moet u een abonnement nemen.