7.6 Defiscalisering

In de Wet IB 2001 is bepaald dat niet tot de bezittingen in box 3 worden gerekend niet-opeisbare geldvorderingen op de echtgenoot van een overleden ouder van de belastingplichtige. Deze defiscaliseringsregeling is opgenomen in art. 5.4 Wet IB 2001. De essentie van de defiscalisering is dat de vorderingen van de kinderen van de overledene op de echtgenoot (of partner, zie art. 5.4 lid 6 Wet IB 2001) niet in de inkomstenbelasting worden betrokken. De keerzijde is dat de bedoelde echtgenoot de schuld aan de kinderen ook niet in aanmerking mag nemen. In het geval dat de defiscalisering van art. 5.4 Wet IB 2001 van toepassing is, kan eventuele aftrek van rente op de overbedelingsschuld ook niet worden geeffectueerd. Zie de art. 3.16 lid 10; 3.120 lid 10 en 4.15 lid 2 Wet IB 2001.

Om de defiscalisering goed te begrijpen is het noodzakelijk eerst aandacht te besteden aan het zogenaamde historisch-causaal verband van de overbedelingsschuld. De langstlevende echtgenoot verkrijgt alle goederen van de nalatenschap, maar verkrijgt daardoor meer dan waarop deze recht heeft. Voor het meerdere erkent de langstlevende echtgenoot schuldig. Deze overbedelingsschuld moet worden gealloceerd, met andere woorden waarvoor is de langstlevende de schuld aangegaan? Stel dat de nalatenschap uitsluitend bestaat uit een eigen woning, dan is de langstlevende de schuld aangegaan om op deze wijze (een aandeel in) de woning te verwerven. De overbedelingsschuld is in dat geval aan te merken als een eigenwoningschuld. Zonder nadere regels behoort deze schuld tot het eigenwoningregime in box 1,

Om toegang te krijgen tot deze pagina, moet u een abonnement nemen.