7.4 Vruchtgebruik

Bij de boedelafwikkeling neemt het recht van vruchtgebruik een belangrijke plaats in. Dit wordt veroorzaakt door de essentie van het genotsrecht dat aan de ene persoon toekomt terwijl de hoofdgerechtigdheid aan een andere persoon toekomt. Sinds in 1992 het recht van vruchtgebruik in het Burgerlijk Wetboek onder andere is uitgebreid met de mogelijke bevoegdheid tot vervreemding en vertering, heeft het recht van vruchtgebruik aan populariteit gewonnen. Een tweede reden voor de belangrijke toepassing van het recht van vruchtgebruik is gelegen in het feit dat bij het overlijden van de vruchtgebruiker het recht eindigt en onbelast aanwast bij de hoofdgerechtigde. Let overigens op de eventuele toepassing van de fictie van art. 10 SW 1956. Voorts spelen andere aspecten uit de Successiewet een rol, ingegeven door de forfaitaire rekenmethodiek welke wordt gehanteerd voor de waardebepaling van het vruchtgebruik.
In een vuistregel: als de verwachting bestaat dat de langstlevende de eerststervende slechts kort overleeft, kan het recht van vruchtgebruik ten behoeve van de langstlevende een interessante optie zijn in verband met deze forfaitaire waardebepaling voor de heffing van erfbelasting, terwijl bij een kans op langdurige overleving de wettelijke verdeling met rentedragende onderbedelingsvorderingen wellicht erfbelasting bespaart.
Een klassieke vorm van een recht van vruchtgebruik ontstaat door het vruchtgebruiktestament. De kinderen van de testateur worden tot enige erfgenamen benoemd en aan de langstlevende echtgenoot wordt het recht van vruchtgebruik van de nalatenschap gelegateerd. Hiermee wordt veelal bedoeld dat de langstlevende het recht van vruchtgebruik verkrijgt van de goederen die tot de nalatenschap behoren,

Om toegang te krijgen tot deze pagina, moet u een abonnement nemen.