7.14 Diversen

7.14.1 Formele aspecten van de heffing van erfbelasting

De aangifte
Op het proces van aangifte doen voor de erfbelasting zijn art. 6, 7 en 8 AWR van toepassing. In de Successiewet 1956 zijn een aantal aanvullende bepalingen opgenomen. Wanneer krachtens erfrecht wordt verkregen uit de nalatenschap van een erflater, is de verkrijger erfbelasting verschuldigd (art. 1 en art. 36 SW). Erfbelasting is een aanslagbelasting, hetgeen inhoudt dat de belasting wordt geheven door het opleggen van een aanslag (art. 37 SW). In de regel reikt de Belastingdienst ongeveer vier maanden na het overlijden van de erflater een aangiftebiljet uit aan de erfgenamen. De erfgenaam die op deze wijze is uitgenodigd tot het doen van aangifte, is verplicht mede aangifte te doen van de gegevens die van belang kunnen zijn voor de heffing van erfbelasting van andere verkrijgers/niet-erfgenamen (art. 38 SW). Als er meer erfgenamen zijn, kunnen deze hun aangifte erfbelasting gezamenlijk doen (art. 39 SW).
De executeur is, op gelijke wijze als de erfgenamen, tot vervulling van al de bij de Successiewet opgelegde verplichtingen gehouden, zodat hij verplicht is om aangifte erfbelasting te doen (art. 72 lid 1 SW). Ook de door de rechter benoemde vereffenaar van de nalatenschap is verplicht tot het doen van aangifte (art. 72 lid 2 SW). De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een door de rechter benoemde vereffenaar die niet zelf tot de nalatenschap is gerechtigd, niet bevoegd is tot het instellen van rechtsmiddelen tegen de aanslag erfbelasting (HR 27 maart 2015,

Om toegang te krijgen tot deze pagina, moet u een abonnement nemen.