7.10 Aandelen die behoren tot een aanmerkelijk belang

In hoofdstuk 4 van de Wet IB 2001 vindt de behandeling plaats van de ‘Heffingsgrondslag bij aanmerkelijk belang’. In dit onderdeel wordt eerst een algemene uiteenzetting gegeven van het aanmerkelijk belang, waarna enkele typische situaties worden beschreven in het kader van de boedelafwikkeling.
Een aandeelhouder kan op verschillende manieren met de inkomstenbelasting te maken krijgen. Zijn aandelen kunnen behoren tot ondernemingsvermogen of tot een werkzaamheid. De inkomsten, daaronder begrepen vervreemdingsvoordelen, worden in dat geval belast in box 1.
Het kan ook zijn dat de aandelen niet meer zijn dan een gewone belegging. Indien niet wordt voldaan aan de criteria voor een aanmerkelijk belang, worden de inkomsten belast in box 3 volgens de forfaitaire rendementsheffing.
Voor houders van aandelen die een zeker belang hebben in een kapitaalvennootschap, kent de Wet IB 2001 een speciale regeling, de aanmerkelijk belangregeling. Op grond van deze regeling vormt de winst gerealiseerd in de vorm van dividend of vervreemdingswinst op de aandelen een belaste bate voor de aanmerkelijkbelanghouder in box 2 tegen een vast tarief van 25%.

Bij de totstandkoming van de Wet IB 2001 heeft de wetgever overwogen om de aanmerkelijkbelanghouder, net als een ‘gewone’ belegger, in box 3 in de heffing te betrekken. Voor deze variant is niet gekozen. Een forfaitaire rendementsheffing, welke inhoudt dat een deel van de belastingheffing over het inkomen uit aanmerkelijk belang naar voren wordt gehaald, past volgens de wetgever niet in het karakter van de aanmerkelijkbelangregeling.

De samenloop van vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting over de winst van de onderneming in de aandelenvennootschap vormt tezamen een belastingdruk die min of meer vergelijkbaar is aan het toptarief in de inkomstenbelasting waartegen de winst van de onderneming van een natuurlijk persoon wordt belast.

Om toegang te krijgen tot deze pagina, moet u een abonnement nemen.